JUDY LOHMAN

GETEKEND




Anita Witzier over Getekend:
'Een heftig boek dat vanaf de eerste pagina boeit en leest als een trein.' 
 
 
Hij had een rustig en overzichtelijk leven als een bescheiden boer in de jaren vijftig. Een handvol koeien, een drietal jonge kinderen en een verstandshuwelijk waarmee hij had leren leven. Opeens wordt zijn leven overhoop gehaald als hij door de politie wordt opgepakt en beschuldigd van seksueel misbruik van zijn zesjarige buurmeisje Famke. Zodra hij is opgepakt, keert de dorpsgemeenschap zich tegen hem. Hij komt letterlijk alleen te staan. Het is zijn woord tegen dat van Famke. Het net sluit zich nog meer als aanvullend bewijsmateriaal wordt gevonden. Uiteindelijk ontdekt zijn vrouw wie de werkelijke dader is. De beschadiging van hun relatie, als ook zijn reputatie in de kleine dorpsgemeenschap heeft zich dan al onherroepelijk voltrokken. Emigratie naar Amerika en het aannemen van een nieuwe naam, lijken nog de enige mogelijkheid om hun toekomst te redden. Maar kan hij nog vluchten voor de hem aangedane schande? Tekent de gebeurtenis hem nu voor de rest van zijn leven? Krijgt de rest van de familie ooit te horen wat er in werkelijkheid is gebeurd?  Een duizelingwekkend mooi familie-epos dat een acuteel thema omvat. Het boek biedt inzicht in de harde gevolgen van een onterechte beschuldiging.

 
Lees het eerste hoofdstuk
Wilt u het kopen? Dat kan bijvoorbeeld bij
www.ebook.nl

 
 
1.Onverwacht bezoek
          
Hij vraagt zich af of hij zal uitbreiden. De buren hebben net de sprong gemaakt naar vijftig Holsteins. Tja, die hebben, hoe zei zijn vrouw het ook alweer op zijn Engels? Spunk? En bovendien hebben zijn buren twee oudere zonen. Hoe oud zou de oudste inmiddels zijn, vraagt hij zich af. Vijftien of zestien? Die jongen rijdt al jaren op de trekker, dat ziet hij zijn oudste zoon nog niet zo snel doen, en niet alleen omdat hij nog maar zes jaar oud is. Sowieso vraagt hij zich af of Jelle wel geschikt is om hem op te volgen. Het is een dromerig jongetje met voortdurend een vleugje angst in zijn ogen. Met een gezicht alsof hij bij voorbaat schuldig is. Zes jaar en dan al piekeren over het leven. Een jongen met een donkere textuur, net zoals zijn moeder. Heel anders dan zijn jongere broer Lieuwe. Die heeft zijn stroblonde haar geërfd en is druk, altijd druk. Een vrolijke, ongebonden geest; zijn oogappel. Zijn vrouw heeft een voorkeur voor de oudste, die precies negen maanden en twee dagen na de huwelijksnacht tevoorschijn kwam. Ze kraait dit wapenfeit trots rond en kijkt de aangesprokene dan veelbetekenend aan. Maagd was ze zeker. Haar in bed temmen duurde twee dagen, zijn stier Ajax was gemakkelijker tam te krijgen. Botje gaat zover in haar verering van Jelle dat ze olie op zijn wimpers smeert om ze voller en langer te laten worden.
Toen Jelle zeven maanden was - een mollige baby - heeft ze hem bij de fotograaf in Leeuwarden op een schapenvacht gelegd en een blauw lint omgesjerpt. De foto staat ingelijst aan haar kant op het nachtkastje. Voordat ze gaat slapen, geeft ze een zoen op de foto en mompelt: ‘Jij ook lekker slapen, popje van mij.’ Voor Lieuwe vindt ze het niet zo nodig om hem op een foto vast te leggen. Jammer, maar voor zoiets ziet hij zichzelf nog niet met Lieuwe achterop naar Leeuwarden fietsen. Dat is toch meer vrouwengedoe. Trouwens, Lieuwe is al vier jaar en zit geen seconde stil. Twee jaar geleden kwam er opeens nog eentje bij. Niet gepland, want twee vonden ze wel voldoende. Daar waren ze het wonderbaarlijk genoeg snel over eens geworden. Eén van de weinige zaken die geen strijdpunt opleverden. Het moet die zwoele augustusnacht zijn geweest die hen heeft verleid. Of waren het Botje’s hormonen die zich onverwacht meldden? In ieder geval kan hij zich hun opgewonden plezier nog goed herinneren. Negen maanden later verzuchtte hij onwillekeurig teleurgesteld: ‘Alweer een jongen,’ toen de dokter hem tijdens het melken het nieuws vertelde. De naam van zijn jongste zoon stond al in de sterren geschreven. Hielke is een kind dat om aandacht schreeuwt. Net alsof hij in de gaten heeft dat de liefde van zijn ouders door zijn twee voorgangers is opgesoupeerd. Als zijn jongste zoon weer eens uithaalt kan hij de amandelen tellen. Elke keer als Hielke aanslaat sluipt hij met een smoes naar de deel om op een melkbus bij de twee witte konijnen van Lieuwe een sigaretje te roken, mijmerend over het leven.
Hoe de katholieken dat toch doen met die grote gezinnen? Met drie kinderen behoort zijn rustige leventje definitief tot het verleden. Hebben katholieken ook niet een veel prettiger leven? In ieder geval een stuk luchtiger en onbezorgder. Aflaatjes, biechten, weesgegroetjes en een mens kan zonder schuldgevoel weer verder zondigen. Eén keer heeft hij een katholieke kerkdienst meegemaakt. Hij was gefascineerd door het Latijn en de levendigheid. Nee, dan zijn geloof. Zijn Hervormde Kerk gaat ervan uit dat het maar een hele smalle weg is die rechtstreeks naar de hemel voert. Een bestaan van soberheid, hard werken en veel bidden. In zijn geloof is er geen wisselgeld voor begane zonden. Geen gemarchandeer of onderhandelingen, alleen de kale feiten tellen. De keren dat hij naar een dansavond ging, vonden zijn ouders, vooral zijn moeder, dat maar matig. Diep in zijn moeders hart werd dansen geschaard onder de noemer hellend vlak. De vragen die zij hem de volgende dag stelde, leken verdacht veel op een kruisverhoor. Hij denkt vaak terug aan het moment waarop zijn leven een onomkeerbare wending nam. Zoals te verwachten viel was het zijn moeder geweest die het onderwerp aanroerde.
‘Zeg Teade, de boerderij van je oom komt binnenkort vrij. Had jij geen verkering? Hoe staat het daarmee?’
Hij fronste. Zou hij de waarheid vertellen? Na een aarzeling leunde hij achterover, draaide een sigaret en zei daarna met onverholen trots, hij geloofde het bijna zelf:
‘De dochter van de Wiegersma’s, u kent ze wel, loopt al een tijdje met mij mee.’
‘Wiegersma? Wonen die niet in de buurt van Sneek? Hoeveel koeien hebben ze?’
‘Ik denk toch wel een honderdtal.’
Echt zeker wist hij het niet, maar als hij alle kalveren en pinken meetelde kwam hij tot tachtig, misschien wel tot negentig beesten. Hadden ze ook niet ergens nog een hok met varkens? Nou ja, honderd was in ieder geval een mooi rond getal.
Zijn moeder Hielkje had nog een criterium dat zwaar woog. Voor haar zelfs nog zwaarder dan het aantal koeien.
            ‘Goed of fout?’
            ‘Ze zaten in het verzet.’
            Zijn moeder knikte peinzend, alsof ze haar mentale ballotagelijst aan het afwerken was.
            Natuurlijk kwam ze daarna met het belangrijkste breekpunt:
            ‘Ze zijn toch niet katholiek? Je weet toch, twee geloven op een kussen, daar slaapt...’
            ‘Nee hoor, geen zorgen, ze is protestant.’
            ‘Mooi, we kennen dat meisje natuurlijk niet, maar pak maar door, want jij loopt ondertussen ook al tegen de dertig. Het wordt tijd dat je eens het huis uitgaat.’
Die laatste opmerking stak hem natuurlijk wel. Hij had het goed thuis, genoot van zijn moeders keuken en wentelende zich in de aandacht van zijn beide zusters. Hij kon zich uitleven in het amateurtoneel en assisteerde zijn vader zo nu en dan bij het melken. Alleen als zijn vader erom vroeg, en dat was niet vaak het geval.
De eerstvolgende dansavond zag hij Botje lopen. Ze wuifde naar hem alsof hij lucht was. Hun verkering was verdampt, verpulverd, opgelost, had ze hem op meerdere manieren duidelijk gemaakt. Hij was haar niet intelligent en serieus genoeg. Een pias had ze hem zelfs spottend genoemd. Hij had er maar een grap van gemaakt en voorspeld dat ze zich met hem nooit zou vervelen. En hersens? Daar had zij toch meer dan voldoende van? Het had niet mogen baten. Met een vertrokken gezicht had ze hem zonder antwoord te geven haar rug toegekeerd. Onwillekeurig trok zijn maag zich samen toen hij haar die zaterdagavond aansprak. De muziek van Peggy Lee stroomde hem reeds tegemoet. Hij kon nu nog terug. Maar nee hoor, daar flapten zijn woorden er al uit:
‘Zeg Botje, ik moet iets met je bespreken.’
‘Hoezo? We hebben toch niets meer te bespreken?’ riep ze boven de muziek uit.
Peggy Lee smoorde bij voorbaat elk gesprek, zeker een huwelijksaanzoek. Hij keek haar vragend aan, wees op zijn oren en riep op veedrijvertoon:
‘Kom, ga even mee naar buiten.’
Met zichtbare tegenzin liep ze voor hem uit. Ook dat nog, een kop groter, dacht hij berustend. Met haar handen in haar zij stond ze voor hem; haar hakjes tikten ongeduldig op het plaveisel. Peggy Lee klonk gesmoord achter de gesloten deuren en ramen van de danszaal.
            ‘Eh, ik heb een boerderij. We kunnen trouwen als jij wilt,’ slingerde hij eruit, voordat hij zich nog kon bedenken.
            Haar gezicht werd melkwit.
            ‘Maar het is uit tussen ons. Hoe kun je nu zoiets zeggen?’
            ‘Ik weet het, maar tegen mijn ouders heb ik iets anders gezegd.’
            Haar gezicht vertoonde een mengeling van ergernis, verbijstering en berekening. Uiteindelijk, na lange, trage minuten, gaf ze hem een antwoord. Haar stem klonk beslist toen ze aangaf dat ze hem binnen een week bericht zou geven. Per post. Daarna draaide ze zich om en liep de trap op, terug naar Peggy Lee. Ze keek niet eens om. Nog nooit had hij zo uitgekeken naar de komst van de postbode. Met welk bericht dan ook.
De koeien laten zich het melken ondertussen welgevallen en schuifelen door het stro. Het ritueel van het geven van melk en het vullen van de maag dicteert op een rustige, betrouwbare manier hun dagritme en dat van hem. Hij hoort in de verte een bekend klepperend geluid. Lieuwe roffelt parmantig op zijn klompjes, zijn roffel klinkt als een hagelbui op de betonnen vloer. Zijn witte kuif wiegt op zijn hoofd heen en weer. Tondeuse, denkt hij bij zichzelf en zet de taak op zijn mentale to-do-lijst.
‘Heit, plisie.’
‘Wat bedoel je, kleine leeuw van mij?’
‘In de keuken.’ Lieuwe wijst opgewonden achter zich, waar twee agenten zichtbaar ongeduldig in de deuropening van het tussenhalletje hem wenken. Ze wijzen op hun glimmende schoenen en op zijn smoezelige stalvloer. Nu pas ontdekt hij de blos van opwinding onder Lieuwe’s kuif. Op dat moment schopt Baukje de emmer om. Altijd Baukje. Verdorie, weer tien liter melk en een hoop werk in de grup. Binnensmonds smoort hij een verwensing, zet zijn pet verder naar achteren en loopt langzaam met de lege emmer naar de agenten toe.
            ‘Boer Jaagsma?’
            ‘Mijn vrouw vindt dat boer maar zo zo, maar dat Jaagsma klopt helemaal. Dit is mijn zoon Lieuwe.’
Hij wijst trots op zijn kind, dat na het horen van zijn naam uit zijn klompjes opstijgt en een stralende grijns naar de dienders zendt.
            ‘Loopt u mee?’
            De beide agenten draaien zich om, zonder zijn antwoord af te wachten. Hij volgt ze en schopt even later zijn klompen op de rubberen mat voor de deur van hun woonkeuken uit. Zijn vrouw staat handenwringend aan het aanrecht; haar gezicht een naderende onweersbui. Mijn vader, denkt hij plotseling in paniek. Een hartaanval of een ongeluk met de trekker. Iets waar hij altijd al bang voor was. Vorige week hadden ze het er nog over gehad. Oh nee, dan moet mijn moeder hier in huis komen. Zou dat de reden zijn dat ze zo boos kijkt? Voordat hij iets kan vragen, bast de oudste agent, een man aan de verkeerde kant van de vijftig:
‘U weet zeker wel waarom wij hier zijn.’
            Voordat hij kan antwoorden valt Botje in:
            ‘Nee, natuurlijk weet mijn man dat niet. Waarom zegt u niet gewoon wat er aan de hand is en loopt u door het huis alsof wij iets misdaan hebben? Dit kan toch zomaar niet. Heeft u wel een huiszoekingsbevel?’
De stem van zijn vrouw klimt bij ieder woord een octaaf omhoog. Een blos kleurt haar gezicht en haar schuine blauwe ogen - als in een werkstuk van Picasso, haar handelsmerk dat haar een onverwachte Oosterse schoonheid verleent - verdwijnen in een sluier van woede. Hij steekt zijn hand op en vraagt rustig:
            ‘Waar gaat dit over?’
Nu is het de andere agent die spreekt, een iets jongere versie, maar wel reeds belegen. Zijn woorden snijden door de ruimte: ‘Houdt u maar op met deze komedie. U weet drommels goed waar u zich schuldig aan heeft gemaakt. U bent een smeerlap. Meekomen.’
Tot zijn ontzetting beveelt de agent hem zijn handen uit te steken; hij rammelt reeds met een paar handboeien. Teade heeft nog steeds de lege melkemmer in zijn hand en zet hem op de grond. Het metaal klinkt hol op de schoongeboende plavuizen. Dan merkt hij dat hij ook nog steeds het melkkrukje omgegord heeft. Ontgoocheld gespt hij de riem los, waardoor het krukje - net voordat hij het kan pakken - met een onheilspellend geluid op de grond valt. Er ontstaat een stilte. Botje is de eerste die deze verbreekt:
            ‘U kúnt mijn man niet zomaar meenemen. Hij is aan het melken.’
            ‘Nou mevrouw, dat kunt u dan zelf gaan doen. Uw man gaat met ons mee en ik zou er niet op rekenen dat hij snel weer terugkomt.’
Ze gaat snel tussen de agent en hem in staan. Ook boven de agent torent ze uit. Zijn vrouw is indrukwekkend in haar verbolgenheid, nog veel meer dan tijdens hun huwelijksnacht. Hij krijgt medelijden met de agent. Die duwt haar opzij en trekt ruw Teade’s handen op zijn rug. ‘Hé, dat doet pijn,’ roept hij verontwaardigt. Net zoveel pijn als de daarop volgende kniestoot waarmee de agent hem de keuken uitduwt, de gang in. Daar komt hij zijn zoon Jelle tegen, die zich bang en zachtjes huilend tegen de vochtige overjassen drukt. Als hij zijn oudste zoon in een flits aankijkt, duikt deze snel achter een jas, die van zijn moeder.